De bedoeling van deze nieuwe wet is nadrukkelijk dat veel meer leerlingen dan nu naar een reguliere school gaan in plaats van naar een vorm van speciaal onderwijs. Voorspeld wordt dat vanaf 2012 ongeveer 6 op de 24 leerlingen in een gemiddelde reguliere klas leer- en/of gedragsproblemen zullen hebben.

Dit betekent dat ook u vanaf 2012 te maken heeft met (nog) meer leerlingen in de klas met leer- en/of gedragsproblemen.

In een brief aan de Tweede Kamer van 2 november 2009 schrijft de staatssecretaris OC&W, Sharon Dijksma dat er een ommekeer nodig is in het denken over passend onderwijs in Nederland. Ze schrijft verder dat deze conclusie lastig is omdat het aan de inzet van mensen en organisaties die werken aan passend onderwijs niet ligt. ‘We hebben ons best gedaan, maar het roer moet om.’

 

Waarom passend onderwijs?

Er zijn de laatste jaren een groot aantal onderzoeken en evaluaties uitgevoerd over het functioneren en de effectiviteit van speciaal onderwijs in Nederland. Het zijn de resultaten van deze onderzoeken die de noodzaak voor de ommekeer in het denken over passend onderwijs onderstrepen. Hieronder volgt een aantal van de meest opvallende resultaten:

 

  1. een steeds groter deel van onze jeugd loopt vast en krijgt een label. Dat zien we niet alleen in het onderwijs maar ook in de (jeugd)zorg. Het aantal rugzakjes steeg tussen 2003 en 2008 van 11.000 naar 36.000. Tegelijkertijd nam ook het aantal kinderen in het speciaal onderwijs toe met bijna 25%. Ook in de (jeugd)zorg zijn de gegevens indrukwekkend. Zo verdubbelde tussen 2006 en 2008 het bedrag dat is gemoeid met de persoonsgebonden budgetten! Ook internationaal gezien is het aandeel speciaal onderwijs in Nederland hoog;
  2. ondanks de rugzakfinanciering, de samenwerkingsverbanden en een van de hoogste verwijspercentages naar het speciaal onderwijs ter wereld, kunnen in Nederland jaarlijks ongeveer 3.000 leerlingen niet een of andere vorm van onderwijs volgen en zitten dus, al dan niet tijdelijk, thuis;
  3. de huidige rugzakfinanciering is bedoeld om leerlingen die dat nodig hebben extra zorg en faciliteiten te kunnen bieden. Echter uit onderzoek van het ministerie blijkt dat scholen tot op heden onvoldoende zorg op maat kunnen aanbieden. Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld gebrek aan expertise of gebrek aan faciliteiten. Ook komt het voor dat de gelden besteedt worden aan randvoorwaardelijke zaken zoals klassenverkleining, waardoor het niet rechtsreeks ten goede komt aan de leerling;
  4. de jeugdhulpverlening en andere hulpverleningsinstanties werken nog onvoldoende samen met de scholen waardoor bijvoorbeeld onderzoeken dubbel worden gedaan, relevante informatie niet wordt doorgegeven, veel tijdsverlies optreed en vooral niemand zich verantwoordelijk voelt om een probleem van een thuiszittende leerling op te lossen;
  5. de Nederlandse overheid probeert vanaf 1990 leerlingen die speciale onderwijszorg nodig hebben, te integreren in het gewone reguliere onderwijs. Dit proces is gestart in 1990 met de invoering van Weer Samen Naar School (WSNS) en in 2003 versterkt door de Invoering van Leerling Gebonden Financiering (LGF). De verwachting was dat het aantal leerlingen binnen het speciaal onderwijs zou afnemen. Het CBS (juli 2008) laat zien dat zowel het leerlingenaantal op de speciale scholen als ook het aantal ‘rugzakken’ explosief blijft groeien. Deze explosieve groei is vooral waar te nemen in cluster 4 voor leerlingen met gedrags- en psychiatrische problemen. Het evaluatierapport ‘Weer Samen Naar School Welbeschouwd’ (Meijer 2004) laat zien dat er aan de versterking van de reguliere leraar nog weinig is gedaan; de adaptieve kwaliteiten van reguliere leerkrachten zijn nog onvoldoende toegenomen om voor elk kind een goed onderwijsaanbod te kunnen realiseren. ‘Het blijven bestaan van het uitstekend geoutilleerde systeem van speciale scholen kan reguliere scholen stimuleren hun ‘lastige’, ‘problematische’ of ‘ingewikkelde’ leerlingen te blijven verwijzen’ (Schuman 2007:268). Vooral de gedragsproblematische leerlingen vormen een grote uitdaging voor de leraar.
  6. er komen te veel jongeren in de Wajong terecht. Uit cijfers van het UWV blijkt dat zo’n 44% van de instroom in de Wajong uit het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs komt. Soms is dat begrijpelijk, gezien de ernst van de handicap of stoornis. Te veel leerlingen krijgen nu een label opgeplakt, in de vorm van een indicatie. Steeds meer kinderen in het schemergebied tussen eenzelvig en licht autistisch, druk en ADHD krijgen het stempel speciaal. Die indicatie betekent meer geld voor zorg. Maar een indicatie betekent ook een stigma. Te gemakkelijk verdwijnen leerlingen richting een levenslange uitkering;
  7. de Evaluatie- en adviescommissie Passend Onderwijs (ECPO) stelt dat onvoldoende duidelijk is wat passend onderwijs concreet op school moet betekenen. De commissie legt de vinger op de zere plek. Passend onderwijs is tot nu toe vooral een bestuurlijke kwestie, die zich afspeelt op te grote afstand van de klas en de school.

 

Nederland heeft een lange zorgtraditie voor leerlingen met beperkingen en de inzet van extra onderwijszorg gebeurt vaak vanuit de beste bedoelingen. Probleem is alleen dat het niet helpt om het kind dat de meeste problemen in de klas veroorzaakt met een indicatie naar het speciaal onderwijs te sturen. Na het moeilijkste kind is er namelijk altijd weer een volgende probleemleerling, en daarna weer één. Op deze manier komen er steeds meer kinderen in het speciaal onderwijs zonder dat wordt gekeken naar wat we in het reguliere onderwijs kunnen veranderen om leraren beter toe te rusten om kinderen met verschillende capaciteiten onderwijs te geven.

 

Daarom: Passend onderwijs U een zorg!