Er zijn verschillende invalshoeken voor dit thema en er zijn waarschijnlijk nog meer visies. Dat maakt het allemaal niet makkelijker voor ons. Binnen Interstudie NDO zijn we druk bezig met ‘het aanbieden’ van onderwijs dat past. Hoe pakken we het aan? Wat zijn sterke punten? Waar liggen de ontwikkelpunten? Allemaal vragen die een diversiteit aan antwoorden hebben. Om een beeld te geven van de verschillende visies en opvattingen waar Interstudie NDO mee werkt, komen hier enkele collega’s aan het woord.
Jos van der Woude
Senior trainer-adviseur, projectleider ‘Onderwijs dat past’
‘De grootste kracht om te veranderen ligt bij de docenten. We moeten daarom naast ze gaan staan.’
De grootste kracht om te veranderen ligt bij de docenten. We moeten ze bijstaan en helpen om bekwaam te worden, zodat ze ‘lastige’ kinderen beter en zelfverzekerder kunnen doceren. Er hoeven dan minder kinderen doorgestuurd te worden naar het speciale onderwijs en er kunnen meer kinderen worden aangenomen. Dus naast en met de docent gaan staan en niet ergens anders.
Het sociale aspect van de kinderen komt daarbij ook in een ander daglicht. Kinderen met gedragsstoornissen kunnen dan in gewone klassen blijven zitten. Hierbij houden ze ook de ‘prestatieverwachting’, die ze op het speciale onderwijs al gauw verliezen. Daarmee stromen ze makkelijker door in een latere maatschappelijke carrière.
Jan van Leeuwen
Senior trainer-adviseur, management trainer en executive coach
‘We hoeven het niet altijd te hebben over méér doen, het hoeft soms alleen maar slimmer gedaan te worden.’
Passend onderwijs is een goede oplossing, maar zeker geen wondermiddel. Eigenlijk is het een tussenstap naar de volgende ontwikkelingen. Dat neemt niet weg dat het onderste zeker uit de kan kan worden gehaald.
In het systeem is bijvoorbeeld een ontwikkeling mogelijk. In plaats van docenten meer en meer te leren, en meer en meer van ze te verwachten, kan het ook slimmer worden aangepakt. Bijvoorbeeld de expertise binnen handbereik krijgen. Je kunt het dan vergelijken met het Zweedse of Deense systeem: een school met alle leerlingen bij elkaar, waarbij er verschillende afdelingen zijn met de benodigde expertise. Het vraagt alleen een andere denkwijze. Hierover moet dan wel overlegd worden met besturen en docenten. Niet méér doen, maar slimmer.
Bart van Eerd
Senior trainer-adviseur
‘Afstemmen en contact maken is een belangrijk uitgangspunt.’
Op dit moment is er nog een verbijzondering van kinderen met een gedragsstoornis. Dat moet er eigenlijk af. In andere landen zitten alle kinderen al samen. Om deze verbijzondering eraf te halen is het wel noodzakelijk om af te stemmen en contact te maken.
De kerntaak van docenten is immers om ‘de boodschap’ over te brengen. Dat kan alleen door een veilige sfeer te hebben. Dit kan weer gecreëerd worden door meer te weten van gedragsstoornissen en om daar menselijker mee om te gaan. Docenten moeten daar wel in ondersteund en geholpen worden. Er kan dan gekeken worden naar wat zij zelf willen. Zo kunnen ze hun vertrouwen weer terugkrijgen.
Een andere manier om af te stemmen en contact te maken is om het onderwijs daarvoor in te richten. Nieuwsgierig en benieuwd naar de leerling worden! Kijken naar wat kinderen wel kunnen en niet naar wat ze niet kunnen. Leerlingen vragen wat zij willen.
Paulien Huijbrechts
Senior trainer-adviseur
‘Wij bieden geen antwoord. Wij helpen bij de zoektocht.’
De wijze van ons werken biedt alle handvatten om passend onderwijs in te voeren. Het komt eigenlijk neer op pedagogische en didactische hulp. Bijvoorbeeld docenten coachen. Daarmee komt het antwoord op passend onderwijs niet van ons, maar uit henzelf. Wij bieden geen antwoord. Wij helpen bij de zoektocht. Op deze manier wordt er optimaal gebruik gemaakt van hun eigen kennis. Wij begeleiden alleen dit proces. Zo weet je ook zeker dat de oplossing altijd passend is, aangezien zij er uiteindelijk zelf mee komen.
Ik heb ook heel veel negatieve verhalen gehoord over passend onderwijs. Bijvoorbeeld verhalen van ouders over de classificatie van hun kind. Dat een kind plotseling een label kreeg van ‘ADHD’, of de ouders dat even wilden laten vastleggen. Er werd zó gespitst op wat het kind niet kon, dat het meteen een label kreeg. De ouders hadden zelf nooit problemen met het kind.
En daar kunnen wij inhaken. Mensen moeten een ander geluid te horen krijgen. Een geluid van de vele jongeren, docenten en ouders die zich positief uitspreken over gedragsstoornissen. Men moet uit de stroom van classificeren en labelen komen. En dat geluid kunnen wij ze niet laten horen, maar we kunnen ze wel helpen met de zoektocht ernaartoe.
